Urbanmag* laat de jonge honden los. Lees alles over het Theaterfestival, de voorstellingen, de makers, … en reageer!
Het Leven Zelve Begeleid Op Mandoline
(over The Broken Circle)

SUMMERSCHOOL KUNSTKRITIEK. Kijken en zien. De (kunst)kritiek van Renzo Martens.

Posted: September 4th, 2009 | Author: Urbanmag | Filed under: Extra | Tags: , , | No Comments »

Dit zou een kritisch schrijven worden over Renzo Martens Episode III – Enjoy Poverty. Maar toen kwam het besef dat de film op zijn beurt iets zegt over dat kritisch schrijven. De rollen raakten  omgedraaid, en de reflectie over Enjoy Poverty werd meteen een beschouwing op het kritisch schrijven zelf.  

 

Renzo Martens maakte een film over filmen. Hij filmde hoe wij armoede in beeld brengen. Wij, dat zijn de perverse zakenlui en gemakzuchtige modalen, maar evengoed de Oxfamkopers en missiemensen, cultuurbegaafden en salonfähigen, en de gretige consumenten van allerhande media – al of niet hoogdravend. Wij, dat zijn U en ik.

 

“Er is een groot verschil tussen kijken en zien” stelt regisseur Lotte van de Berg in Toneelg(e)ruis (juni 2006)het tijdschrift van het Toneelhuis. Ze citeert daarmee de Nederlandse schrijver Hans Korteweg die ooit zei: “Kijken doe je van een afstand, zien is intiem. Kijken doe je naar iets of iemand…als je ziet daarentegen ben je met iets of iemand; het is deel van je bestaan.”   Lotte van den Berg wil in haar voorstellingen de toeschouwer bewust maken van zijn eigen kijken, door “dat kijken even op zijn kop te zetten”. Ze neemt het publiek mee naar een zonsopgang in de stad, naar een braakland waar mensen zonder hoop overleven, naar een gevangenis waar levenslang gedetineerden juist wél blijven hopen. Van den Berg laat de toeschouwer zien zonder afstandelijke omkadering, zonder “rationele vluchtpoging”.

 

Zo ook kijk ik naar de film Enjoy Poverty van Renzo Martens en ik verlies mij er in. Ik ga onder in de gruwel die hij toont en word kwaad om de onethische manier waarop hij met die gruwel omgaat, omdat hij zo choqueert. Maar ik kom buiten en probeer te begrijpen waarom hij dat doet. Ik wil over het aberante heen kunnen beseffen dat hij ons op een andere wijze wil laten kijken naar de manier waarop de media, en wij dus met hen, de armoede tonen. Hij toont hoe we zelf ons ‘zien’ manipuleren, het naar onze hand zetten, en hij doet dat precies rond de vraag die ons als mens zo hard beroert: hoe ver kan en moet naastenliefde reiken. Daarmee maakt hij een film over filmen.

 

Net als Van den Berg zet Martens het kijken te kijk. Door zijn uiterst zorgvuldige montage dwingt hij ons om te “zien”. Al kijken we zoveel liever want, zegt Hans Kortweg nog, “het is riskant om te zien”. Je raakt erdoor van slag.

 

Ook kritisch kijken naar voorstellingen is zien en kijken tegelijk. Of om beurten. Zonder dat kritische denken, en daarna het eventuele kritische schrijven erover, blijf je hangen in louter (aangename of onaangename) indrukken. De nabespreking bij Enjoy Poverty, met een doorvragende Jan Ritsema als interviewer, was een onmisbare verrijking. Ze hielp je uit te stijgen boven je eigen ongemak en woede om de impertinente vragen die Martens stelde – aan de arme Congolezen, aan  de rijke Europese exploitanten, én aan ons. Want we willen wel kijken maar niet zien. We weten het wel maar willen het niet voelen. Zolang we de beelden niet zien, hebben we geen last van onze uitbuiting van Afrikaanse bodemrijkdom.

 

Martens toont dat de armoede  zelf een noodzakelijke grondstof is, die ngo’s, VN en AZG hun bestaansrecht verlenen. Martens duwt er ons met onze neus in. Hij speelt mee in de film als sjacheraar in armoe, met schaamteloos aandringen en misplaatste Borat-humor. Hij is wreed. Maar hij gaat nog verder: hij trekt ons in de ellende als het ware op een zintuiglijk manier mee naar binnen. Door de langer durende sequenties, door zijn ongegeneerd voyeuristisch oog. Als hij al muziek zet onder de beelden, is ze zeer emotioneel én tegelijk politiek incorrect. Hij filmt wars van de klassieke wetmatigheden van de documentaire. Dat werkt tegen de verwachtingen in. We voelen er ons fysiek ongemakkelijk bij.

 

Ook in de voorstelling wordt de kritiekschrijver meegesleurd. Hij duikt mee in de spanning van het verhaal, in de vervoering, wanhoop, schoonheid, twijfel. Hij deint mee op de bewegingen en het ritme, springt mee, hapert, valt. Maar daarna vraagt hij zich af waarom en hoe dat allemaal met hem gebeurde. In zijn schrijven reflecteert hij, analyseert hij, neemt hij afstand.

 

Renzo Martens preekt geen revolutie of revolte. Hij is geen politicus of activist. Martens is een kunstenaar, en presenteert zichzelf ook als zodanig. Hij wil tonen hoe we kijken, en dat doet hij door voortdurend zelf in en uit zijn film/documentaire te stappen, door de objectieve berichtgeving te doorweven met zijn subjectieve aanwezigheid. Daarmee doet hij veel meer dan ons een ethisch geweten schoppen, hij geeft ermee aan hoe ons kijken gevangen zit in een schizofrene situatie.

 

Om chocola te eten moet je vergeten welke uitbuiting schuilt achter de productie ervan, je mag er de teelt niet van “zien” of je hebt er geen zin meer in. Maar de zin gaat voor het zien. Om goed te leven op het rijke eiland moet je blind zijn voor de oceaan van armen er rond. De documentairemaker weet dat hijzelf ook op dat eiland zit. Je kan er niet af – tenzij ten koste van jezelf. Dat is het schizofrene. Binnen elk domein van ons bestaan botsen we op dit soort tegenstellingen:  onze identiteit, waarden,  ambities, verlangens, … overal kleeft tegenstrijdigheid aan. Ons huidig wereldbeeld is een cluster van contradicties.

 

Die schizofrenie toont Renzo Martens met zijn voortdurende kanteling van gericht kijken naar onbevangen zien en vice versa. Martens beweegt zich in zijn film/documentaire voortdurend op de grens tussen kijken en zien. Een slappe koord. Terwijl de kunstcriticus  nà de voorstelling neerschrijft wat er te zien was, doet de kunstenaar Martens ìn zijn werk allebei tegelijk: kijken én zien. Dat maakt het zo ongemakkelijk voor de toeschouwer. Onvoorspelbaar en oncontroleerbaar.

 

Zien en kijken. Kijken en zien. Van de ene beweging op de andere overspringen. En de twee weer  samenbrengen. Dat is ook wat de kunstcriticus moet doen. Maar op een andere manier dan de kunstenaar, al is niet meteen duidelijk hoe. Misschien moet bij de kunstcriticus het accent uiteindelijk liggen op de afstand, de kritiek, het kijken. Hij moet de krakkemikkige brug bewandelen er tussenin, en steeds weer heen en weer lopen. In de ene richting de moed opbrengen om erin te duiken, in de andere de ijver om op afstand te gaan observeren. En dan verslag uitbrengen. Met dezelfde dwingende nood en ernst als een oorlogsfotograaf die tussen het vuurgevecht in zijn foto’s schiet. De criticus loopt weliswaar geen fysiek gevaar maar neemt wel  hetzelfde risico als de verslaggever. De criticus is ooggetuige én prooi van de kunsten.

 

Mia Vaerman



Leave a Reply